Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.


We sturen je per e-mail een wachtwoord toe. Soms komt deze e-mail in je spambox terecht.

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.


druiven plant goed onderhouden

druivenDe druif algemeen

De druif stamt uit warme streken zoals Frankrijk, Italië, Spanje en Egypte. Nederland is wel het noordelijkste land waar druiven geteeld kunnen worden. Het is een teelt die, om goed resultaat te krijgen, veel zorg vereist.

Het beste ras voor de teelt in de volle grond is ongetwijfeld ‘Glorie van Boskoop’. De druiven van dit ras zijn niet zo groot, maar uitstekend van smaak.

Rassen die in de volle grond ook goed voldoen, zijn ‘Rembrands’ (blauwe druiven, rijptijd tweede helft oktober) en ‘Vroege van der Laan’ (witte druiven, rijptijd eerste helft oktober). Voor de teelt in de kas komen in aanmerking ‘Black Allicante’ , ‘Frankenthaler’ (beide blauwe druiven), ‘Golden Champignon’ en ‘Muscaat van Alexandrië'(beide witte druiven).

Grond en bemesting

In principe kunnen druiven op alle grondsoorten worden geteeld, mits de grondwaterstand niet te hoog is en de druif tot op de grote diepte kan wortelen. Op zandgrond is het raadzaam, geruime tijd voor het planten stalmest en kalk onder te spitten. Op een stugge kleigrond kan compost of stro de structuur wat losser maken.

Druiven zijn tamelijk zoutgevoelig; dus oppassen met bemesten! In de winter kunt u met stalmest bemesten: 4 tot 5 kg per vierkante meter is ruimschoots voldoende. Spit deze om wortelbeschadiging te voorkomen slechts oppervlakkig onder. Tegelijkertijd met stalmest kunt u op zure gronden met kalk bemesten. Dolocal is prima geschikt, omdat het naast kalk ook magnesium bevat. Een goede gift is ongeveer 20 gram per vierkante meter.

Indien u geen stalmest onderspit, kunt u in het voorjaar, wanneer de planten beginnen uit te lopen, kunstmest inharken; 60 gram mengmeststof (12+10+18) per vierkante meter om voldoende groei in het gewas te houden. Hebt u druiven in een kas staan, vergeet dan niet dat een groot deel van de wortels zich buiten de kas bevindt. U moet dus ook rondom de kas goed bemesten.

Watervoorziening

In de kas moet u natuurlijk geregeld water geven. Het gemakkelijkste is 15 cm diepe geultjes te graven op ongeveer 1 meter van de plant en deze op gezette tijden vol te zetten met water.

Toch moet u in droge perioden ook in de volle grond water geven; liever eens in de week een paar emmers dan iedere dag een beetje.

Planten

Druiven vormen lange slappe scheuten, die behoefte hebben aan steun. Daarom is een plekje naast een muur of aan een hekwerk (als afscheiding met het buurhuis of als pergola) noodzakelijk. Kies een zonnige, beschutte plaats. De plantafstand bedraagt 1 à 2 meter, afhankelijk van de vorm die u aan de plant wilt geven. U kunt planten van november tot maart. De maand november is erg geschikt, want dan kan de plant vóór de winter aanslaan. Wel is het raadzaam, de plant te beschermen tegen strenge vorst. Een oud gordijn of een dik pak kranten biedt voldoende bescherming. Na elke vorstperiode moet de bedekking worden weggehaald.

Graaf een plantengat en maak vooral de ondergrond goed los, het liefst tot op ongeveer 80 cm diepte. Zet dan de druif erin, en dan even diep als deze op de kwekerij heeft gestaan. Aan de donkere afscheiding op de stam is dat duidelijk te zien. Plantgat dichtmaken en aantrappen. Vervolgens flink wat water geven, zodat de aarde goed tussen de wortels spoelt. Het eerste jaar na het planten niet bemesten. In het voorjaar loopt de druif uit. Als de scheuten 10 tot 20 cm lang zijn, knipt u op één na alle scheuten tot op de hoofdstam weg. Alleen de beste scheuten houdt u aan. Loopt er maar één scheut uit, dan hoeft de snoeischaar er niet aan te pas te komen.

De druiven plant snoeien

Bij de druif moet u veel snoeien om de groei van de plant in toom te houden en om vruchten goed te laten uitgroeien. U begint in de winter met de wintersnoei, die eind december/begin januari wordt uitgevoerd. Wanneer u later snoeit, is de kans groot dat de plant gaat bloeden. Uit de wondvlakken druppelt dan heel langzaam plantensap. Dit proces is niet of nauwelijks tot staan te brengen. Door overmatige bloeding kan de plant gedeeltelijk afsterven.

Dubbele-legger-systeem druivenDubbele-legger-systeem

De eerste jaren na het planten snoeit u in de winter om de plant de juiste vorm te geven. Welke vorm de plant krijgt, is afhankelijk van de ruimte die hij ter beschikking heeft. Hebt u één plant en veel ruimte, dan kunt u het dubbele-legger-systeem toepassen. Hiervoor snoeit u de scheut die in het voorjaar, na het planten, is gehandhaafd na één groeiseizoen af op ongeveer 70 cm boven de grond. Als reactie op deze snoei zal er in het tweede groeiseizoen een aantal zijscheuten worden gevormd. Eén van die zijscheuten leidt u recht omhoog. Tweeandere bindt u vanuit de hoofdstam naar weerzijden horizontaal aan. Dit is de eerste legger.

Ontstaan er meer dan drie zijscheuten, zoek dan de beste uit en snoei de overige in mei weg. De scheut die u recht omhoog hebt geleid, is de verlenging van de hoofdstam. Deze snoeit u na het tweede groeiseizoen op 1,25 meter af. De zijscheuten die nu ontstaan, behandelt u op dezelfde wijze als het vorige jaar. Na vier jaar hebt u dan drie leggers. Elke volgende legger komt 50 à 60 cm boven de voorige.

enkele legger systeem druifenkele-legger-systeem

Wanneer u meer planten naast elkaar hebt geplant, dan is het enkele-legger-systeem een goede plantvorm. Hierbij houdt u per plant slechts één hoofdscheut aan, die horizontaal aan draad wordt aangebonden. Bind de legger van de eerste plant op een hoogte van 50 cm aan, die van de tweede plant op 1,1 meter en van de derde op 1,6 meter. Leid alle leggers in dezelfde richting.

Mocht u weinig ruimte hebben, dan bent u aangewezen op één verticale hoofdstam. Men noemt dit ‘verticaal snoer’. U laat de ene scheut die in het voorjaar na het planten is gehandhaafd, en de lengte groeien totdat hij 1 meter lang is, u knipt hem dan af in december of januari. Het volgende jaar zal de plant verder in de hoogte willen groeien, maar in de winter snoeit u hem weer af op de hoogte die u wenste.

Vruchtenhoutsnoei in december/januari.

Op de hoofdstammen van tweejarige planten, dus op de leggers of aan het verticale snoer, worden zijscheuten gevormd. In de winter, als u gaat snoeien, zijn ze glad en hebben ze een lichtbruine kleur. De onderlinge afstand van deze zijscheuten moet ongeveer 15 cm worden. Het teveel aan zijscheuten wordt tot op de legger afgeknipt. De zijscheuten die u handhaaft, wordt teruggesnoeid op drie knoppen (ogen), geteld vanaf de hoofdstam. Alléén bij het ras ‘vroege van der Laan’ snoeit u na het vijfde oog. Dunne scheutjes knipt u terug op één knop. De knoppen van de zijscheuten zullen in het volgende groeiseizoen uitgroeien tot scheuten, waaraan de vruchten zullen ontstaan (vruchtscheuten). Na de oogst zullen deze scheuten lichtbruin van kleur worden (verhouting). De stomp van het vorig jaar is inmiddels wat ruwer en verder donkerder van kleur geworden. In de winter knipt u de lichtbruine, gladde scheut weer af op één, drie of vijf ogen. Aan de ruwere, donkere stomp valt weinig te snoeien. Op deze wijze komen de scheuten, waaraan vruchten ontstaan, steeds verder van de hoofdstam (de legger of het verticale snoer). De trossen zullen daardoor kleiner blijven. Daarom moet u eens in de drie à vier jaar de oudere zijscheuten helemaal tot op de legger wegsnoeien. Deze oude zijscheut wordt vervangen door een jonge, onvertakte zijscheut, die inmiddels wel in de buurt van de oude zal zijn ontstaan.

Voorjaarsnoei.

Na het uitlopen van de knoppen kan er zonder gevaar voor bloeden weer worden gesnoeid. Blijkt in het voorjaar dat bij de wintersnoei toch niet ruim genoeg is gesnoeid, dan kunt u dit alsnog corrigeren. Wanneer bijvoorbeeld in de winter een scheut op drie ogen werd gesnoeid, dan kunnen deze alle drie uitlopen. Dit is teveel van het goede; breek er tenminste één weg (uiteraard de slechtste)

Zorg ervoor dat de scheuten die u aanhoudt, 15 cm tussenruimte hebben. Na de voorjaarssnoei bindt u de overgebleven scheuten aan het steunmateriaal. Iedere keer als de scheut een stuk gegroeid is, bindt u deze opnieuw aan, en dan telkens iets hoger.

Zomersnoei.

In de loop van de zomer ziet u aan de aangebonden scheuten weer zijscheuten ontstaan. Dit worden ‘dieven’ genoemd, omdat ze onnodig voetsel van de plant wegnemen. Daarom moeten ze jong worden weggehaald. Het beste is, elke veertien dagen(tegelijk als u de scheuten aanbindt)  de dieven weg te halen door ze na het eerste blad af te breken.

Rijpingsnoei.

Als de trossen beginnen te kleuren, vragen ze veel licht om goed te rijpen. Hoe meer licht ze ontvangen, des te zoeter zullen de druiven worden. Pluk daarom hier en daar wat blad en knip de scheuten waaraan de trossen hangen af op acht bladeren na de tros.

Krenten.

In juni/juli, wanneer de druiven zo groot zijn als een erwt, moet (verspreid over de hele tros) ongeveer de helft van alle vruchten worden weggeknipt.

De druiven die u handhaaft, zullen hierdoor mooi groot uitgroeien. De kans op rotting van de tros in het najaar wordt bevendien veel kleiner.

Oogsten, bewaren en verwerken van de druiven

De mooie ‘bewaste’ trossen kunt u het beste met een schaartje afknippen. Raak met uw handen de druiven niet aan om de waslaag niet te beschadigen.

Het ras ‘Black Alicante’ kan het langst worden bewaard (ongeveer zes weken), omdat hij een vrij dikke schil heeft. De ‘Muscaat van Alexandrië’ kunt u een maand bewaren.

De overige rassen zijn in de koelkast slechts twee weken houdbaar. Een overschot aan druiven kunt u invriezen of drogen, maar ook verwerken tot jam, sap, wijn of vruchten op sap.

Vermeerdering

U kunt natuurlijk bewortelde druivenplanten kopen. Maar misschien heeft uw buurman een ras dat uitstekende druiven levert. In de winter, tijdens de snoei, moet u hem dan maar eens een paar goede stukken snoeihout vragen. Goed snoeihout zijn die takken, die het afgelopen jaar zijn gevormd. Deze zijn te herkennen aan de lichte kleuren en de glade bast. Ze moeten een middenlijn hebben van 1,5 à 2 cm. Deze goede takken knipt u in stukken die elke vier tot vijf knoppen hebben.

Let op dat u de groeirichting van de takken moet handhaven (de onderkant moet dus weer onder komen). Deze stekken kunt u buiten uitplanten op een afstand van 20 x 20 cm. De twee onderste knoppen komen onder de grond. Er steekt dus een stuk hout beven de grond dat twee of drie ogen heeft. In het eerste jaar is een goede vochttoevoer van groot belang. In droge perioden moet u twee keer per week water geven. In de herfst na het stekken kunt u ze verplanten naar de plaats van bestemming.

Druiven telen in een kasje

  • Goede rassen voor in de kas zijn: ‘Frankenthaler’, ‘Black Alicante’, ‘Golden Champion’, en ‘Muscaat van Alexandrië’.
  • Als boomvorm kiest u voor de ‘Black Alicante’ een staand snoer. Voor de overige rassen moet u het leggersysteem kiezen, maar houdt niet meer dan twee leggers boven elkaar aan.
  • Spoel de grond iedere winter een keer door. Dat wil zeggen dat u de grond een paar uur lang beregent, zodat de zouten naar diepere lagen spoelen. Te zoute grond kan de oorzaak zijn van slechte groei.
  • Gieten doet u van februari tot juli als de grond dreigt uit te drogen. Als water geven na juli noodzakelijk is, graaf dan een geultje, zet dat vol met water en maak het weer dicht.
  • Zet in de winter de luchtramen open als de temperatuur boven de 5 à 6 graden is. Ook tijdens de bloei en vanaf het krenten tot na de oogst lucht u zoveel mogelijk.
  • Combinatie van druiven en groenten is vrijwel onmogelijk. Alleen laagblijvende groentegewassen die vóór mei zijn geoogst, kunnen in de druivenkas worden geteeld.
  • De vruchtvorming verloopt vrijwel probleemloos. Alleen van ‘Golden Champion’ is het stuifmeel steriel. ‘Black Alicante’ is voor dit ras een goede stuifmeelleverancier. U moet wel een handje helpen bij de bestuiving. Hiervoor strijkt u met een vochtige plumeau eerst langs de bloemen van ‘Black Alicante’. Het stuifmeel blijft dan aan de vochtige veren hangen. Vervolgens strijkt u met de plumeau langs de bloeiende trossen van de ‘Golden Champion’. Deze bestuiving moet in de bloeiperiode iedere dag worden herhaald.

Ziekten en plagen

  • Botrytis: Is een schimmelziekte die vooral toeslaat als de omgeving lange tijd erg vochtig is, of als er niet ruim genoeg is gekrent. Op de druiventros ziet u dan een grijs tot wit schimmelpluis. Zodra u de schimmel ziet, knipt u de aangestaste druiven uit de tros. Houd in de kas, vooral in het najaar, de luchtramen zoveel mogelijk open en geef niet teveel water, zodat de luchtvochtigheid gering blijft.
  • Meeldauw: wordt veroorzaakt door de schimmel Uncinula necator die ook onder vochtige omstandigheden optreedt. Bij een vroege aantasting blijven de vruchten klein en ruw. Om meeldauw te voorkomen, kunt u ‘s winters na het snoeien de takken insmeren met een zwavelpapje.
  • scheuren van vruchten: ontstaat als de planten na een droogteperiode ineens weer veel water krijgen. De vruchten zuigen zich dan te gulzig vol en barsten. De remedie tegen dit euvel is in droge perioden geregeld water te geven.
  • vogels en wespen: kunnen in een ommezien de rijpe trossen verorberen. Tegen wespen is eigenlijk maar weinig te doen. Een groot stuk vitrage over de planten gaat de aantasting goed tegen, maar neemt voor een goede rijping teveel licht weg. Tegen vogels zijn uw druiven wel met een net te beschermen.
  • Wolluis en dopluis: kunnen soms een ernstig probleem zijn. Doordat wolluizen zich onder een witte wasachtige stof schuilhouden en dopluizen onder een bruin schiltje, zijn ze moeilijk te bestrijden. Zodra u ze waarneemt, moet u de luizen aanstippen met spiritus. Is de aantasting zeer ernstig, dan zit er niets anders op dan te spuiten met een gewasbeschermingsmiddel.  Spuit het gewas goed nat. De meeste middelen zijn gifftig, dus spuit niet als u binnen twee weken wilt gaan oogsten.

Video zomer,winter snoei en het dieven van de druivenplant

 

 

%d bloggers liken dit: